“
Darrell was een van degenen die waren teruggekeerd. Hij had de buik van de zee gezien, hij was hier geweest maar weer teruggekeerd. Hij was een man die de hemel dierbaar was, zeiden de mensen. Hij had twee schipbreuken overleefd en, zeiden ze, de tweede keer had hij meer dan drieduizend mijl afgelegd op een bootje van niets, voor hij land vond. Dagenlang in de buik van de zee. En toen was hij teruggekeerd. Daarom zeiden de mensen: Darrell is wijs, Darrell heeft gezien, Darrell weet. Ik bracht de dagen door met naar hem te luisteren: maar over de buik van de zee zei hij nooit iets tegen me. Hij had geen zin om erover te praten. Hij vond het ook vervelend dat de mensen hem geleerd en wijs vonden. Hij kon het vooral niet verdragen dat men van hem kon zeggen dat hij zich gered had. Hij kon dat woord niet horen: gered. Dan liet hij zijn hoofd zakken en kneep zijn ogen tot spleetjes, op een manier die je onmogelijk kon vergeten. Ik keek naar hem, op die momenten, en kon geen naam geven aan datgene wat ik op zijn gezicht las, en wat, wist ik, zijn geheim was. Duizenden keren lag die naam op het puntje van mijn tong. Hier, op dit vlot, in de buik van de zee, heb ik hem gevonden. En nu weet ik dat Darrell een geleerd en wijs man was. Een man die gezien had. Maar voor alles, en in de diepte van zijn hele bestaan, was hij een ontroostbaar man. Dat heeft de buik van de zee me geleerd. Dat wie de waarheid gezien heeft voor altijd ontroostbaar zal zijn. En alleen degene die nooit in gevaar is geweest, is werkelijk gered. Al zou er nu een schip aan de horizon verschijnen, en zich hierheen spoeden over de golven, en net iets eerder aankomen dan de dood en ons meenemen, en ons doen terugkeren, levend, levend: dat zou ons toch niet echt kunnen redden. Ook al zouden we ooit een of ander land vinden, wij zullen nooit meer veilig zijn. En dat wat we gezien hebben blijft in onze ogen, dat wat we gedaan hebben blijft in onze handen, dat wat we gevoeld hebben blijft in onze ziel. En voor altijd zullen wij, wij die de echtheid hebben leren kennen, voor altijd, wij kinderen van de gruwelijkheid, voor altijd, wij die zijn teruggekeerd uit de buik van de zee, voor altijd, wij wijzen en geleerden, voor altijd - zullen wij ontroostbaar zijn. Ontroostbaar. Ontroostbaar.
”
”