“
De rechters
In het hoge Peru, in Nicaragua,
doorheen Patagonië, in de steden,
kreeg je geen rechten, bezit je niets:
beker van de miserie, in de steek gelaten
zoon van de Amerika’s, geen wet,
geen rechter beschermt voor jou
je grond, je hut met maïsvelden.
Toen de kaste van jouw mensen kwam,
die van jouw heren, en de aloude droom
van klauwen en messen al was vergeten,
kwam de wet je hemel ontvolken,
jou je aanbeden terreinen ontrukken,
jou het water van je stromen betwisten,
jou het rijk van je bomen ontroven.
Ze namen je tot getuige, zetten stempels
op je hemd, vulden je hart
met plooien en papieren,
ze begroeven je in kille arresten
en toen je wakker werd aan de grens
van de rampzaligste catastrofe,
beroofd, eenzaam, zwervend,
kerkerden ze je, sloten je in het blok,
bonden je handen opdat je niet zou kunnen
wegzwemmen uit het water van de armen,
maar spartelend zou verdrinken.
De welwillende rechter leest je
artikel Vierduizend, kapittel Drie voor,
hetzelfde dat men vandaag gebruikt
in heel de blauwe geografie bevrijd
door mensen als jij die vielen
en hij maakte je tot wettelijk aanhangsel
en zonder beroep, tot schurftige hond.
Je bloed vraagt, hoe raakten de rijke
en de wet verstrengeld? Met welk weefsel
van zwavelig ijzer? En hoe vielen
de armen voor het gerecht?
Hoe kon de aarde zoveel onheil aanvaarden
voor haar arme kinderen, die wreed
waren gevoed met steen en verdriet?
Toch is het gebeurd zoals ik het neerschreef.
De levens hebben het op mijn voorhoofd geschreven.
(Willy Spillebeen)
”
”