Gek Doen Quotes

We've searched our database for all the quotes and captions related to Gek Doen. Here they are! All 6 of them:

Op de gang staat nog altijd zijn ex te wachten. 'Je bent er nog?' vraagt hij. 'Je ruikt naar rook,' fluistert ze als hij stilstaat om haar een tweede keer te begroeten en meteen ook een tweede keer afscheid van haar te nemen. Hij had bijna haar hand willen pakken om alles nog eens over te doen. 'Je zou ermee stoppen.' 'Waarom fluister je? Ik ben psychiater, wij roken omdat we anders gek zouden worden en omdat we op die manier tenminste nog één ding gemeen hebben met de meeste patiënten: de sigaret.' 'Ik fluister omdat ik je niet wil beschamen. Altijd dezelfde frasen, dezelfde excuses. Hoe kun je mensen weerhouden van zelfdestructie als je er zelf mee bezig bent?' 'Dat is een paradox,' zegt Kadoke. 'Gezondheid, geestelijke gezondheid houdt in dat je die paradoxen leert aanvaarden, dat je ermee leert leven, met het onvolmaakte, ja degene die jou komt weerhouden van zelfdestructie rookt, is dat nou zo erg?
Arnon Grunberg (Moedervlekken)
Yannick Dangre. Mensen, zo heet toch niemand? Het moet wel bijna een pseudoniem zijn. Als je echt 'Yannick Dangre' heet moet je wel gek zijn onder die naam poëzie te gaan schrijven, kun je net zo goed meteen 'rijkeluiszoontje' op je voorhoofd tatoeëren. Nee, als de jongen echt zo heet, mijn god, dan heb ik met hem te doen. Je ziet zijn moeder voor je, Helen Dangre, die tegen vader Jacques Dangre zegt, zeg, zullen we onze zoon Yves noemen? Nee, gotsiemikkie, wat gewoontjes, maak er maar Yannick van. Jakkie! Maar als hij echt Yannick Dangre heet, dan had hij wis en waarachtig poëzie geschreven onder de naam Frits van den Ende, of als het ludiek moest wezen Frits Mompelkut, en zo weet ik dus stellig te beweren dat het alleen een pseudoniem kan zijn, maar die gedachte is onverdraaglijk, ik kan er niet van slapen. Je gaat poëzie schrijven en je noemt jezelf 'Yannick Dangre'. En dan heb je tot overmaat van ramp zo'n 18e eeuwse krullendos, en schrijf je met een ganzenveren pen met grote sierlijke prulletters de derde nachtbundel van het jaar, geadverteerd als 'De wereld lijkt langzaam in een donkere nacht te verdwijnen en dat vraagt om reactie.' Nou, bij deze dan, Yannick. Met je nacht en navel. Kom uit de kast, zeg ik. Zou dit dezelfde onverlaat zijn die ook Chretien Breukers verzon?
Martijn Benders
Ik heb genoeg lentes overgeslagen. 't Moet uit zijn. Vaak is het me niet eens opgevallen dat het lente werd. Het deed me niks. Nogal wiedes als je er geen acht op slaat, doet niets je iets. Ik merkte de bloesem evenmin op als de sneeuw. Ik hing maar zo'n beetje tussen hemel en aarde. En alles ging snel. Je had geen tijd om stil te staan, of je durfde het niet misschien, omdat je bang was dat je werd ingehaald. Maar nu sta ik stil bij de lente in mijn tuin en ik weet zeker dat het niet het stilstaan is van een ouder wordende man. Wat jammer dat we zo niet kunnen zijn, denk ik, zo opgetogen als deze bloei; zo eerlijk als het gras; zo mild als de voorjaarsregen. En in dit decor van liefde en zachtmoedigheid wil ik alleen maar lieve mensen tegenkomen. O, u mag me rustig beschuldigen van sentimentaliteit, maar wat de aarde op dit moment oproept in mijn hart, laat ik niet zomaar kapotmaken door de wrevel en de onvrede van mensen; door wat ze zeggen in kranten, roepen door de radio, laten zien op de buis. Bij deze bloei in dit licht heb ik geen zin in discussies en vergaderingen en teksten; in beloften of voorspellingen; of in mensen die elkaar pijn willen doen, kwetsen en kwellen, die elkaar voorbij willen streven. Voor mij hoeft het nou es even niet, de succesvolle goalgetters. Daar sta je dan tussen het geweld van dit groene leven, jij met je hinderlijke verstand, midden in het ongeremde dat maar raak leeft zonder enige reserve. Het vlamt op uit de aarde zonder terughoudendheid. Dat doet maar. Het staat op uit de dood. Breekt opnieuw uit de knop. Bloeit als een gek en valt neer zonder droefheid, zonder tranen. Daar sta je dan met je armbandhorloge.
Toon Hermans (Fluiten naar de overkant)
In een opzicht verschilde Simon Carmiggelt niet veel van andere mannen: bij zijn dood liet hij twee weduwen achter. Met de ene was hij getrouwd. De andere ben ik. Sinds zijn dood, een week geleden, ben ik in gedachten constant bij hem, net als in de eerste vier of vijf jaar van onze, hoe zeg je het, verhouding, verbintenis, affaire, laat ik het woord maar noemen: liefde. Mijn laatste grote liefde en de zijne ook. Liever was ik dood geweest. Maar nu ik toch nog leef - een boek van hem heet 'Gewoon maar doorgaan', in het exemplaar dat hij mij gaf, schreef hij 'Allicht!' achter die titel - ga ik dus nog door, maar ik wil om mij te troosten en hem te eren doen waar een weduwe voor is: een monumentje bouwen. Of ik het publiceer en wanneer, dat weet ik niet. Maar het moet er zijn voordat ik zelf niets meer zeggen kan. Want ik moet mij haasten: sterven doe ik misschien nog niet meteen, maar met mijn ziekte kan ik makkelijk blind worden of niet alleen in mijn benen maar ook in mijn handen verlamd. En wie zal het lied dan zingen? Ik moet het doen en ik wil het doen, ik ben trots op zijn liefde en hij was, god zij dank, trots op de mijne. Mijn woning is vol van wat hij achterliet: meer dan duizend ansichtkaarten, tientallen brieven, ongetelde zijden sjaaltjes en dito stropdassen, een zilveren monogram op een antiek leren mapje, een gouden broche, drie mooie horlogetjes, twee gouden Cross-pennen en trouwens nog wat andere maar nooit gebruikte damespennetjes, drie leren tassen en een kalfsleren portefeuille (hij was gek op pennen en op leer), ceintuurs, mapjes van allerlei materiaal, presse-papiers van Venetiaans glas, doosjes, bakjes, poppetjes, speelgoedbeestjes van porselein, of hout, of metaal en ander materiaal, een door hem zelf vervaardigde Huizinga-medaille en een reeks veel te mooie schrijfboeken die blanco bleven wegens te mooi om in te schrijven. Een koffie-apparaat, een cassetterecorder, een radio, kunstboeken (Vuillard, Bonnard, Picasso, Brassai onder anderen), veel gewone boeken en veel boeken van hem waaronder bibliofiele uitgaven, veel grammofoonplaten (Peggy Lee, Cleo Laine, Ives Montand, Satie, Glenn Gould). Al die stomme getuigen - ik zal ze laten praten!
Renate Rubinstein (Mijn Beter Ik: Herinneringen Aan Simon Carmiggelt)
En natuurlijk is dat makkelijker gezegd dan geloofd. Je bent depressief en voelt je een last voor de mensen om je heen. Dat lijkt logisch en zwart-wit. Maar dat betekent niet dat alles zwart is.' Ze strijkt met haar hand over het tafelblad. 'Net als bij een schaakbord; de andere helft van het bord is wit. Want je kunt het ook omdraaien: blijkbaar willen mensen ondanks jouw "lastigheid" ontzettend veel moeite voor je doen. Dat zegt iets over jou, over wie je bent en vooral ook over hoeveel jij op jouw beurt aan hen teruggeeft.' Ze staat op en zet haar kopje op het aanrecht. 'Jij staat nu jammer genoeg op zwart, en dat is ontzettend vervelend, maar probeer toch om je heen te kijken. Te kijken of er ook andere kanten zitten aan de dingen die je nu door de depressie gelooft. Want hoe gek het ook klinkt, als je op zwart staat, dan zijn alle vlakjes om je heen wit.
Myrthe van der Meer (Up (Paaz, #2))
Wat had het dan voor zin om bij een groepje te gaan staan en mee te doen? Wat was het nut van doen alsof je geïnteresseerd was? Als je deed alsof je belangstelling had in iets terwijl dat niet zo was, dan hield je de ander alleen maar voor de gek. Dan liet je je hersenen een marathon rennen, en voor wat? Niemand schoot er wat mee op. Dan kon je beter gewoon je mond houden en in je eigen wereld blijven. Ik gunde iedereen zijn of haar gelijkgestemden, zolang ze maar niet verwachtten dat ik daar ook bij hoorde. Dat was helemaal niet selectief. Dat was trouw zijn aan wie je werkelijk was.
Judith Visser (Zondagskind)