Ander Woord Voor Quotes

We've searched our database for all the quotes and captions related to Ander Woord Voor. Here they are! All 14 of them:

Burgerparticipatie was een ander woord voor de bemoeienis van mensen die geen idee hadden waar het over ging en veel gedoe veroorzaakten, om er uiteindelijk over te zeuren dat alles zo lang duurde.
Juli Zeh (Unterleuten)
Wanneer alle spelers na de gedane arbeid op de parkeerplaats voor de school in de steeds warmer wordende avondlucht bijeenkwamen om de ervaringen van die dag uit te wisselen, begreep ik dat iedereen geraakt werd door het stuk waarmee hij bezig was en we voelden dat het over de dood ging en ik geloof dat we beseften (al weten de goden dat we er niet bewust aan dachten) dat dit Wohlmans manier was om ons te vertellen dat ons, zodra we klaar waren met deze school, niet de toekomst wachtte met al zijn openbaringen, kansen en al die andere zaken die we ons hadden voorgesteld - een zee van mogelijkheden en ervaringen - maar juist het begin van iets anders, iets zonder de exploderende kleurenpracht die we elkaar hadden voorgeschilderd, hier zetten we de eerste onmogelijke stappen op weg naar het werkende leven, naar de routine, de eindeloze herhaling, de systematiek en het leven van alledag waar iedereen die vóór ons volwassen geworden was al lang deel van uitmaakte, ochtenden, werkdagen en bezoekjes aan de supermarkt en de rijen voor de kassa en de uren voor de tv of de uren met de was of koken en kinderen die je op sommige dagen liever niet gehad had en de grenzeloze irritatie over de naïeve jeugd die het had over Kerouac, de planning van de volgende ochtend, dit alles ad nauseam herhaald, slechts onderbroken door korte dagen die zich ontvouwden en dan weer verschrompelden, 's zomers of met Kerst, dagen die alleen nog extra benadrukten dat niemand ons kwam verlossen en dat we alleen maar konden hopen dat we in elk geval een beetje konden dansen op het ritme van onze inmiddels o zo voorspelbare levens, dat dat juist onze redding zou blijken zodat we niet langer zouden vechten tegen de monotonie maar die juist zouden accepteren, dat we het triviale zouden omarmen, zoals Wohlman ongetwijfeld gedaan had, tot we op een dag wakker werden en beseften dat de maat waarop we dag in dag uit bewogen, wankel en allesbehalve gracieus, uiteindelijk onze eigen hartslag was, naar, bij gebrek aan een beter woord, hartenlust kloppend van opluchting omdat we nu eindelijk in de geweldige maalstroom waren beland van identieke, voorspelbare dagen.
Johan Harstad (Max, Mischa & Tetoffensiven)
Mijn hele leven heb ik gezocht naar verwantschap, mezelf dikwijls genoeg wijsgemaakt dat er van zulk een verwantschap sprake was, terwijl die er nooit, met geen enkel ander mens, of andere groep van mensen, geweest is, en er ook nooit zal zijn. Met kollegaas kan ik geen zinnig woord wisselen, en met het soort mensen dat men gevoelsgenoten pleegt te noemen is het nog erger - hoogmoet of Selbsthaß spelen hierbij een geringe rol, geloof ik - want in hun gezelschap voel ik mij zelfs eenzamer dan wanneer ik alleen ben, niet omdat ze zijn zoals ze zijn, maar juist omdat ze maar gedeeltelijk zijn zoals ze zijn en bijna allen, zonder uitzondering, de Moed missen zich in te zetten voor datgene, dat zij beweren lief te hebben, alsook de moed om te vechten en er op los te rammen als het er op aankomst, inplaats van die anonimiteit te prefereren waarbij men doet of men tot een onderwereld behoort die zo spoedig mogelijk zou moeten worden uitgeroeid; wat een ellende, dat zonder geslachtsnaam zich voorstellen als 'Rudi' of 'Eddie', dat eeuwige geteem over de snit van een broer en 'waar heb je dat gekocht' en nooit, nooit, godverdomme, één verstandig woord, of desnoods een onverstandig woord, over kunst, politiek, ethiek, religie.
Gerard Reve (Op weg naar het einde)
Hoe leg je uit wat weerloosheid is en tot wat een mens in staat kan zijn als uw toehoorder nooit heeft gevoeld wat het is om zelf een mogelijke smeerlap te zijn, dat het een zegen is en een vloek dat nooit te hebben gevoeld en dat woede in de fauteuil niks meer is dan schijnheiligheid die blind is voor zichzelf? Mensen zeggen al wel eens dat ge eerst in andermans schoenen moet staan voor ge echte kennis opdoet. Maar ook dat is schijnheilig, want met andermans schoenen wordt altijd weer bedoeld: die van het slachtoffer. Geen woord wordt er gerept over de schoenen van hen die zich misschien geprikkeld voelden om mee te doen. Voor ge de bloeddorst van een ander aanklaagt, van iemand die ge zelfs niet kent, zoudt ge verplicht moeten worden te ervaren wat heimelijke bloeddorst betekent die wordt aangemoedigd door hen die de touwtjes in handen hebben, wier spel gij meespeelt, of ge nu wilt of niet, de bloeddorst, met andere woorden, die ieder in zich heeft.
Jeroen Olyslaegers (WIL)
Atticus,' zei ik op een avond, 'wat is nou precies een nikkervriend?' 'Scout,' zei Atticus, 'nikkervriend is alleen maar een van die termen die absoluut niets beduiden - zoiets als snotneus. Ik kan het moeilijk uitleggen. Onwetende en minderwaardige mensen bezigen dat woord als ze denken dat je aan negers de voorkeur geeft boven henzelf. En er zijn ook mensen als wij toe gekomen om dat woord te gebruiken, als ze iemand op een gemene, ordinaire manier willen uitschelden.' 'Maar jij bént toch niet een echte nikkervriend, hè?' 'Dat ben ik zeker. Ik doe mijn best om van iedereen te houden ... Dat is soms een hele toer ... maar baby, het is nooit echt beledigend als iemand je uitscheldt voor iets. dat hij minderwaardig vindt. Dan blijkt alleen maar hoe zielig die ander is, en daarom is het helemaal niet kwetsend.
Harper Lee (On Lee's To Kill a Mockingbird (Cliffs Notes))
Het feit dat tot voor kort het woord stront met ... werd aangeduid had niets te maken met morele overwegingen. U wilt toch niet beweren dat stront immoreel is?! Afkeuring van stront is metafysisch. Ontlasting is het dagelijks bewijs dat men de schepping niet aanvaardt. Het één of het ander: of stront is aanvaardbaar (en dan hoef je de w.c.-deur niet op slot te doen!) of we zijn geschapen op een onaanvaardbare manier. Hieruit volgt dat het esthetische ideaal van de categorische instemming met het bestaan een wereld is waarin stront ontkend wordt en waarin iedereen zich gedraagt alsof die niet bestaat. Dit esthetische ideaal heet kitsch.
Milan Kundera (The Unbearable Lightness of Being)
Mag de columnist liegen? Natuurlijk, als het maar lekker leest wat hij schrijft en als hij maar niet klaagt wanneer anderen zijn leugens ontdekken. Vorige week heb ik op deze plaats ook gelogen. Weliswaar heel onschuldig, maar toch, de waarheid was het niet. Ik schreef iets over mijn neiging tot mompelen, en gebruikte daarvoor 'de grote lijster' - turdus viscivorus. Om te beginnen wist ik tijdens het schrijven niet precies of viscivorus wel met v's geschreven moest worden (ik lijd namelijk aan een milde vorm van dyslexie - ook een moeilijk woord, dat dan ook niet voor niets 'woordblindheid' betekent) en ik kon de dichtbundel waarin dit woord staat, de verzamelde gedichten van Jan Hanlo, niet vinden. Mijn woordenboeken geven geen uitsluitsel voor dit type woord, dus ik zat ermee. Maar omdat ik toch door moest, besloot ik het erop te wagen. Ik typte het hele stuk uit en stuurde het een dag voor de deadline naar de krant. Natuurlijk kwam het boek boven water toen de brief al verzonden was. Ik bleek me niet vergist te hebben, viscivorus wordt inderdaad met v's geschreven. Maar nu had een ander deel van mijn hersenen me weer gefopt. Ik had me als titel 'St Louis Blues' herinnerd, terwijl het ''s Morgens' is. Wat te doen? Er is een tijdgrens voor schrijvers zoals ik, en die is ruim bemeten. De krant zelf hanteert ook een grens en tussen die twee zit natuurlijk wel wat tijd. Ik zou kunnen telefoneren en vragen of St. Louis Blues nog veranderd kon worden in 's Morgens. Daarover stond ik in dubio, want er was nog een andere mogelijkheid: de reacties van de lezers afwachten. Ik besloot tot het laatste. Iedereen die me zou schrijven om me op de vingers te tikken, zou een schuldbewust en boetvaardig antwoord krijgen. Met de hand geschreven. Ik kocht bij de kantoorboekhandel alvast een pak A4. Ik moet u zelfs een kinderlijke bekentenis doen, de dag na het uitkomen van de krant liep ik in spanning naar de brievenbus om de vloed in ontvangst te nemen. Maar er kwam niets, niemand nam de moeite of niemand vond het een ernstig probleem of niemand leest jan Hanlo of niemand leest mij. Zoiets moet het zijn. Maar wat me toch kwaad maakte, langzamerhand, als aanwakkerende wind, was de selectie. Als ik namelijk een enkele (doodenkele) keer vloek in deze rubriek, of beweer dat ik ernstig twijfel aan het bestaan van een Almachtige God, of een opmerking maak die in het gevoelige brein van een feministe als 'vrouwonvriendelijk' wordt genoteerd, dan komen de brieven wel, compleet met opzeggingen van het abonnement. Maar als ik een werkelijk belangrijke misser maak, een groot dichter verkeerd citeer, dan blijft het stil. Het lijkt erop dat mijn prioriteiten toch anders liggen dan die van mijn lezers. (En misschien is dat maar goed ook.)
A.L. Snijders
Elke dag herhaal ik het wonder, wat zeg ik, de triomf, van het moment waarop onze soort het schrift uitvond. Lezen en schrijven, we doen het op den duur zo gedachteloos. Altijd weer het vingervlugge mirakel van ons geheugen dat zich woord voor woord; lettergreep na lettergreep, de totaal willekeurige maar o zo zegenrijke band herinnert tussen een letter en een klank, en wat die verbintenis betekent. Telkens weer die schepping van zin uit een ontstellende ruis die zonder het oor van de ander zonder boodschap zou blijven… En dat mirakel , die dagdagelijkse ontploffing in betekenis, knettert en vonkt terug in de tijd, naar de havens van de Feniciërs, naar de koningen van Sumer, naar de glazuren tegels van de toren van Babel, verspreid in het zand.
Erwin Mortier (Gestameld liedboek: Moedergetijden)
Van kennis krijg ik heel vaak van die pijn in mijn hart, die niets anders is dan een soort verliefdheid op een woord of een grote dankbaarheid voor het bestaan ervan. Het is een soort geluk dat er vooralsnog om vraagt met rust gelaten te worden en een vermoeden te blijven in plaats van een kennis die je kunt uiten.
Connie Palmen (De vriendschap)
Zo breek je verzet, kreeg ik te horen, door het mooiste wat mensen bindt te gijzelen, hun liefde en toewijding, zorg en trouw te vermorzelen alsof het iets verderfelijks was. Door familiebanden en vriendschappen te laten veranderen in mijnenvelden. Dit alles opdat iedereen die naar vrijheid verlangt en daar iets me wil zichzelf niet anders kan zien dan een tikkende tijdbom, een permanente dreiging voor zijn naasten. Hoe menselijker je was, hoe dichter je bij schoonheid, waarheid en al hun nuances wilde komen, bij rechtvaardigheid en menselijke waardigheid, hoe groter het ontploffingsgevaar. Als je weet dat je met één woord het leven van je kind kunt ruïneren, bedenk je je wel honderd keer voordat je in een koppige verzetsbui iets zegt. Dan houdt je je mond.
Nausicaa Marbe (Wachten op het Westen)
Heeft de liefde wel behoefte aan mee-lijden? Het gaat er mij om dat ik haar bestaan voelde als mijn bestaan. U vraagt wat dat betekent? Dat is alsof u de hele last van iemands bestaan op u zou willen nemen. Alsof u die iemand sowieso zou willen ontslaan van de noodzaak van het bestaan. Alsof u voor die ander ook zou willen sterven, zodat hij zijn eigen sterven niet zou hoeven beleven. En dat is iets anders dan meelijden, zoals dat meestal wordt begrepen. Voor zo'n zelfde, desnoods ingebeelde mogelijkheid voelde ik dat ik opnieuw wilde leven. U zegt dat dat niet kan. Het kan dat dat niet kan. Maar wat zou dan de maat van de liefde moeten zijn? Als u en ik onder dat niets betekenende woord hetzelfde zouden verstaan? Volgens wat zouden we haar moeten voelen? Volgens de begeerte van het lichaam? Het lichaam kent zijn einde en dat einde komt veel, veel eerder dan de dood.
Wiesław Myśliwski (Traktat o łuskaniu fasoli)
Stel je voor dat je een ijzeren staaf bent, zeg ik. Je hebt geen oren, geen ogen, geen zenuwen, geen huid die hitte of koude voelt. En dan, voor het eerst in je bestaan, kom je in een ruimte vol met andere stalen voorwerpen. En voor het eerst voel je het magnetische veld, dat zoemen overal. Er is plotseling iets wat je beweegt op manieren waar je geen enkel zintuig voor hebt, en geen enkel woord. Zó. Zeg ik. Hij knikt maar ik weet niet zeker of hij het snapt, hij heeft zijn ogen op de weg.
Bregje Hofstede (Oersoep)
Het hardblauw en hagelwit van de borden langs de Nederlandse snelweg, die ik nu voorbij zie schieten vanuit mijn taxi, en die Amsterdam-Zuid aangeven. Zijn verkeersborden ergens anders ter wereld zo kraakhelder, zo onaangetast, zo keurig dwingend? Staan ze ergens anders zo recht? Desoriëntatie wordt hier in de kiem gesmoord; de beste ontwerpers van bewegwijzering komen uit Nederland, net als de beste cartografen, al eeuwen. Een natie van kaartenmakers en navigators zijn we, geen land voor dwalers en zoekers. Kil en ongastvrij eigenlijk, dit blauw en wit, hoe goed het je de weg ook wijst. Dáár is de bestemming en nergens anders. Voel je vrij om er deze smetteloze asfaltweg naartoe te nemen, maar verwacht niet te veel gezelligheid want dat is voorbehouden aan inboorlingen.
Nina Polak (Gebrek is een groot woord)
Darrell was een van degenen die waren teruggekeerd. Hij had de buik van de zee gezien, hij was hier geweest maar weer teruggekeerd. Hij was een man die de hemel dierbaar was, zeiden de mensen. Hij had twee schipbreuken overleefd en, zeiden ze, de tweede keer had hij meer dan drieduizend mijl afgelegd op een bootje van niets, voor hij land vond. Dagenlang in de buik van de zee. En toen was hij teruggekeerd. Daarom zeiden de mensen: Darrell is wijs, Darrell heeft gezien, Darrell weet. Ik bracht de dagen door met naar hem te luisteren: maar over de buik van de zee zei hij nooit iets tegen me. Hij had geen zin om erover te praten. Hij vond het ook vervelend dat de mensen hem geleerd en wijs vonden. Hij kon het vooral niet verdragen dat men van hem kon zeggen dat hij zich gered had. Hij kon dat woord niet horen: gered. Dan liet hij zijn hoofd zakken en kneep zijn ogen tot spleetjes, op een manier die je onmogelijk kon vergeten. Ik keek naar hem, op die momenten, en kon geen naam geven aan datgene wat ik op zijn gezicht las, en wat, wist ik, zijn geheim was. Duizenden keren lag die naam op het puntje van mijn tong. Hier, op dit vlot, in de buik van de zee, heb ik hem gevonden. En nu weet ik dat Darrell een geleerd en wijs man was. Een man die gezien had. Maar voor alles, en in de diepte van zijn hele bestaan, was hij een ontroostbaar man. Dat heeft de buik van de zee me geleerd. Dat wie de waarheid gezien heeft voor altijd ontroostbaar zal zijn. En alleen degene die nooit in gevaar is geweest, is werkelijk gered. Al zou er nu een schip aan de horizon verschijnen, en zich hierheen spoeden over de golven, en net iets eerder aankomen dan de dood en ons meenemen, en ons doen terugkeren, levend, levend: dat zou ons toch niet echt kunnen redden. Ook al zouden we ooit een of ander land vinden, wij zullen nooit meer veilig zijn. En dat wat we gezien hebben blijft in onze ogen, dat wat we gedaan hebben blijft in onze handen, dat wat we gevoeld hebben blijft in onze ziel. En voor altijd zullen wij, wij die de echtheid hebben leren kennen, voor altijd, wij kinderen van de gruwelijkheid, voor altijd, wij die zijn teruggekeerd uit de buik van de zee, voor altijd, wij wijzen en geleerden, voor altijd - zullen wij ontroostbaar zijn. Ontroostbaar. Ontroostbaar.
Alessandro Baricco (Ocean Sea)